In 1971 is er een nieuwe vertaling gekomen van de Nederlandse belijdenisgeschriften. De opdracht daartoe was gegeven door de synoden van de Christelijk Gereformeerde Kerken, van de Gereformeerde Kerken en van de Nederlandse Hervormde Kerk. Vanuit deze kerken kwamen voorstellen tot wijzigingen. Nadat deze verwerkt en beoordeeld waren kon op 30 november 1982 deze tekst officieel worden gepubliceerd.
Hier volgt tot slot deze nieuwe vertaling van het Apostolicum.
Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde;
En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, is neergedaald in het rijk van de dood, op de derde dag opgestaan van de doden, opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest;
ik geloof de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap der heiligen;
de vergeving der zonden, de opstanding des vleses en het eeuwige leven.
preek over het woordje ‘ik ‘ 13-05-2012
Gemeente van Christus,
In deze leerdienst zijn we nog wat aan het opstappen. Vorige keer achtergrond van het ontstaan van de Apostolische Geloofsbelijdenis bij de doop in de vroege Kerk.
Nu vooral over het klimaat waarin wij leven, een klimaat waarin het woordje ik zo centraal staat. Nodig om als een getuigende kerk te functioneren. Daarvoor is het nodig de Bijbel te verstaan èn onze eigen tijd te verstaan.
In deze dienst staan we stil bij het woordje ‘ik’. Ik geloof.
Met name prof. Van de Beek heeft wat bezwaren bij dat woord. In de kerk gaat het over ‘wij’. Wij zijn een gemeenschap, meer nog wij zijn het lichaam van Christus. Prof. Van de Beek weet dat deze Apostolische Geloofsbelijdenis voortgekomen is uit de doop waarbij de gelovige persoonlijk belijdt: ik geloof en zo de gemeente van Christus binnentreedt. Toch zet hij het wij voorop.
Zelf wil ik nadrukkelijk het ik en wij vasthouden. Want wij kunnen alleen samen levende en getuigende kerk van Christus zijn, als wij ieder persoonlijk met Christus zijn verbonden!
Maar dat is tegelijk een ‘ik’ dat zich door Christus met mijn broeders en zusters verbonden weet. Eén Herder, één kudde.
Toch is het belangrijk goed het bezwaar van Van de Beek tegen het woordje ‘ik’ in onze tijd vast te houden.
Het woord ‘ik’ wordt in onze tijd opgevat als individu, daar ligt het bezwaar van Van de Beek.
Al in de 17e eeuw is er een omslag in ons denken gekomen in het Westen, dus Europa en Amerika.
De filosoof Descartes kwam toen met zijn stelling: ik denk dus ik ben. Daarmee zei hij: de vastheid van het bestaan ligt niet in God, maar in de denkende mens.
Nog niet door Descartes zelf, maar later is dat door anderen verder doorgetrokken en kwam men tot de conclusie: over God kunnen we niets met zekerheid zeggen of zelfs: God bestaat niet.
De mens staat in het centrum. In de jaren 60, jaren die wij dus allen meegemaakt hebben, krijgt dit verdere uitwerking. Het individualisme, de mens op zich, komt dan tot volle ontplooiing. Zelfontplooiing wordt het kernwoord. Daarvóór was de mens nog altijd een onderdeel van een groep in de maatschappij, een kerkelijke groep, een vereniging of vakbond, een politieke partij. Je hoorde ergens bij en wij allen werden geacht te gehoorzamen aan degenen die boven ons stonden: de overheid, de directie van een bedrijf, de kerkenraad, de partijleiding etc.
Het postmodernisme werpt dit juk van leiding en zo voort af. Het individu moet zelf zijn leven maken.
Instituten tellen niet meer: een kenmerkend voorbeeld daarvan is dat velen niet meer willen trouwen. Dat zij tweeën samen verder gaan, is hun zaak en hoeft geen instituut bij. Hooguit een notaris om een en ander te regelen. Trouwen in de kerk is dus helemaal niet aan de orde.
Dit individualisme is heel ver doorgetrokken. In heel ons dagelijks leven merken we het: vroeger kreeg een ouder kinderbijslag voor een kind dat studeerde. Nu is er vanaf 18 jaar de persoonlijke studietoelage, studiefinanciering; en in de ziektekostenverzekering krijgt ieder kind een eigen polis. Het gezin was de hoeksteen van de maatschappij. Maar dat is veranderd: er is geen hoeksteen meer, alleen het individu. Ook het huwelijk is die hoeksteen niet. Man en vrouw krijgen ieder hun eigen belastingaanslag. Hun eigen ziektekostenpolis. En ook krijg je ieder AOW, er is geen kostwinner meer.
Het individu regelt zelf in alle dingen. Hij wil zich daarom niet binden aan een grote groep. Verenigingen, vakbonden en ook de kerk merken dat. En als men zich al aansluit, dan is dat veel losser, heel mooi noemen we dat: kritisch. Het komt er op neer dat men zegt, als ik er persoonlijk geen voordeel aan heb, haak ik af. Niet sociaal gericht, ik-gericht is dat.
Voor de kerk zijn de gevolgen groot: niet de kerkleiding, kerkenraad of synode bepaalt wat wij geloven, dat bepaalt iedereen zelf. Ook de belijdenis bepaalt dat niet. Er is niet meer één waarheid, ieder heeft zijn eigen waarheid. Daarom willen sommigen in de kerk de Apostolische Geloofsbelijdenis niet lezen of zingen!
En als we het over de preek hebben, gaat het er niet om dat ik hoor wat God zegt, maar of er iets gezegd wordt waar ik wat aan heb, of ik er wat mee kan.
God en kerk zijn een service instituut voor ons welzijn. In de Reformatie zocht een mens een genadig God die hem wilde accepteren, nu moet God maar afwachten of wij zo genadig zijn Hem te accepteren.
Wat de jongeren, geboren na 1960 betreft geldt bovendien dat alleen het heden telt. Het verleden telt niet. Op 4 mei kijken we nog net even terug, maar op 5 mei zijn we het al weer vergeten. We leven los van het verleden. Dat komen we ook tegen in de naamgeving van kinderen. U en ik zijn waarschijnlijk allemaal wel vernoemd naar een vader, moeder, broer of zuster van onze ouders. Tegenwoordig kiest men een leuke naam. Als er vernoemd wordt is het naar een zanger of zangeres. Ik heb een meisje gedoopt met de naam Shania – ik heb moeten vragen hoe je dat uitsprak.
Mensen van nu leven niet alleen los van het verleden, ook los van de toekomst. Hoe het er morgen uit zal zien, zien we wel. De huidige crisis is daar even een hobbel in. Als de groei er weer in zit is er geen vuiltje aan de lucht. We horen vandaag dat men weer licht optimistisch is voor dit en volgend jaar.
Leven doen we nu. Toekomst spreekt nauwelijks aan. Voor de kerk betekent dit dat het mensen weinig zegt als we zeggen dat we door het geloof eeuwig leven mogen hebben. Men is daarover op zijn minst licht optimistisch: als God liefde is komt het met allemaal goed. En er zijn er ook steeds meer die zeggen: het is hier mooi geweest, langer hoeft voor mij niet.
Dat is de atmosfeer waarin wij ademen, waarin onze kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen opgroeien. Het is een leven waarin God principieel en praktisch geen plaats meer heeft. Een atmosfeer waarin eigenlijk geen geur meer is van het geloof. Een wereld waarin het geloof geen landingsbaan meer heeft. Waarin een kerk weinig aantrekkingskracht heeft. Zeker als je daarbij bedenkt dat we per maand 8500 kerkleden verliezen, ofwel in vier maanden is heel HS verdwenen.
We worden als kerk weer meer en meer vreemdelingen doordat we niet luisteren naar de stem van ons hart, maar naar de stem van God.
Voor jongeren is geloven dus eerder vreemd dan gewoon. Je moet je niet verbazen als een jongere niet gelooft, maar je verwonderen en danken als hij wel gelooft.
Het maakt tegelijk duidelijk dat het zo moeilijk spreken is voor ons over het geloof met hen. Wat voor ons gewoon en vertrouwd en vanzelfsprekend was, is het voor hen niet meer.
Hoe leggen we dan contact?
Via het ik.
Niet het losse ‘ik’, maar het ik dat ingewonnen is door Christus en van zijn liefde vervuld is.
Dat moeten we goed vasthouden.
Dat laatste zeg ik naar aanleiding van een stukje dat ik las van iemand uit de Evangelische kring. Hij zei: mensen van de kerk beginnen met hun belijdenis, wij beginnen met de persoonlijke relatie met God. Wij worden als kerkmensen kennelijk gezien als mensen die steggelen over de waarheid en de belijdenis en daarom kerken verlaten of weer nieuwe oprichten. En in het interview van Thijs van den Brink met de cabaretière Sandra Kroos, vertelde ze dat ze afhaakt omdat ze moest geloven in Jezus als de Zoon van God.
Dat dit bij de belijdenis hoort, laten we volop staan. Maar dat is niet het eerste waar we mee aankomen. Bij jongeren niet en niet bij ouderen die los van de kerk zijn. Zeker bij ouderen die los geraakt zijn van de kerk is er veel weerstand tegen een kerk waarin je van alles moest geloven. Het gaat niet om het dogma. Het gaat er zelfs niet in de eerste plaats om dat Jezus de Zoon van God is. Het gaat inde eerste plaats om zijn liefde. Alzo lief heeft god de wereld gehad. Daar leven wij zelf van als het goed is, Vanuit die liefde spreken we.
Zal het wat worden zo’n gesprek?
Ik heb expres Efeze gelezen: Paulus sprak tot heidenen die iets van Jezus afwisten en niet allen, maar wel enigen kwamen tot geloof en het werd een gemeente.
Hoe kon Paulus dat? Paulus kon dat niet! Het kon door de Heilige Geest die uitgestort is. Die gebruikt het getuigenis van Paulus en van ons, doorbreekt de grenzen en breekt harten voor de liefde van Jezus. Amen.
INLEIDING
Het is ondoenlijk om in een artikel echt iets over de belijdenisgeschriften te zeggen. Zo’n artikel zou te vaag of te compact worden. Bovendien is het de vraag hoevelen de belijdenis geschriften kennen. Daarom geef ik er de voorkeur aan om er nu de bekendste belijdenis uit te lichten en iets van haar ontstaan en betekenis te laten te zien. Over de andere geschriften uit de Oude Kerk en de Reformatie kan later geschreven worden.
OECUMENISCHE BELIJDENISSEN
De Apostolische Geloofsbelijdenis behoort tot de zogenaamde oecumenische symbolen. Dat zijn de belijdenisgeschriften die in heel of in een groot deel van de christelijke aanvaard zijn. Hiertoe behoort ook de geloofsbelijdenis opgesteld op het concilie van Nicea en op het concilie van Constantinopel definitief vastgelegd. Deze wordt meestal de geloofsbelijdenis van Nicea genoemd. Tenslotte rekenen we hiertoe de geloofsbelijdenis van Athanasius.
Echt oecumenisch is eigenlijk alleen de geloofsbelijdenis van Nicea. Die wordt ook in de Oosterse Kerken erkend. De beide andere alleen in de Westerse Kerken.
Zoals gezegd is de Apostolische Geloofsbelijdenis bij ons het bekendste. Andere namen voor deze belijdenis zijn: De Twaalf artikelen, het Apostolicum en het Credo. Deze laatste naam is ontstaan uit de eerste woorden van de latijnse tekst van deze belijdenis: credo = ik geloof.
LEGENDE VAN DE TWAALF APOSTELEN
Jarenlang is gedacht dat de apostelen deze belijdenis hebben gemaakt. Een aantrekkelijke gedachte, want er zijn twaalf artikelen en er waren twaalf apostelen. Er ontstond een legende:
Na de uitstorting van de Heilige Geest, toen allen vervuld waren van de kennis van alle talen, stelden de apostelen de belijdenis samen.
Petrus zei: “Ik geloof in God de Vader Almachtig, Schepper van hemel en aarde”;
Andreas zei: “die ontvangen werd van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria”;
Johannes zei: “die geleden heeft onder Ponyius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven”;
Thomas (!) zei: “nedergedaald ter helle, ten derde dage wederom opgestaan van de doden.”;
Jacobus zei: “opgevaren ten hemel, zittende aan de rechterhand van God de Vader Almachtig”;
Filippus zei: “vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden”;
Bartholomeüs zei: “Ik geloof in de Heilige Geest”;
Mattheüs zei: “de heilige katholieke kerk, de gemeenschap der heiligen”;
Simon zei: “de vergeving der zonden”;
Thaddeüs zei: “de wederopstanding des vleses”;
Matthias zei: “het eeuwige leven”.
Juist omdat men de apostelen voor de opstellers hield, kreeg deze belijdenis groot gezag.
Deze legende kon het echter niet volhouden. De eerste kritiek kwam op een concilie (een kerkvergadering) in 1438. Daar kwamen leden van de Oosterse en Westerse kerk bijeen. Toen de latijnse (westerse) afgevaardigden het Apostolicum aanhaalden, verklaarde de leider van de Grieken: “Wij bezitten deze belijdenis van de apostelen niet en hebben ze nooit gezien. Als ze ooit bestaaan had, zou het boek Handelingen er wel van gesproken hebben.”
Later kwamen er andere geleerden die duidelijk maakten dat deze belijdenis niet door de apostelen kon zijn samengesteld.
BELIJDENIS EN DOOP
Nu rijst de vraag hoe deze belijdenis dan wel is ontstaan. We moeten daarvoor terug naar de Oude Kerk. De kerk was klein, maar breidde gestaag uit. Mensen zegden het geloof in de heidense goden op en kwamen tot de kerk. Daar werden ze niet direkt toegelaten. Zij kregen eerst catechese. De tijd dat men catechese volgde werd men catechumeen genoemd. Als de hoofdzaken van het christelijk geloof en leven geleerd waren volgde de (volwassen)doop. Bij die doop beleed men de drieënige God. De kortste belijdenis die we kennen is uit ongeveer het jaar 150.
Bij de doop is het waarschijnlijk als volgt gegaan.
De bisschop vroeg: “Gelooft u in God, de Vader, de Almachtige?”
De dopeling antwoordde: “Ik geloof”. Dan volgde de eerste onderdompeling.
De bisschop vroeg: “En gelooft u in Christus Jezus, zijn enige Zoon, onze Heer?”
De dopeling antwoordde: “Ik geloof”. Daarna kwam de tweede onderdompeling.
De bisschop vroeg: “En gelooft u in de Heilige Geest, de Heilige Kerk, de opstanding des vleses?”
De dopeling antwoordde: “Ik geloof”. Dan kwam de derde onderdompeling.
Het valt op dat God wordt beleden als Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat verwondert niet als we denken aan het “doopbevel” uit Mat 28:19 waar Jezus tot de discipelen zegt: “Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”.
Naast het drie van de drieëenheid vinden we dit heilige getal ook in de opbouw van elke belijdeniszin: God, Vader, Almachtige; Christus, Zoon, Heer; Geest, Kerk, opstanding.
Dit wijst op een bewuste en zorgvuldige opbouw.
Later werd de belijdenis niet alleen bij de doop gebruikt. Ze kreeg in de kerkdienst een plaats. Weer als eerste bij de catechumenen. Ten aanhore van de gemeente zegden zij de belijdenis op: “Ik geloof…” etc. Dat was niet alleen om te laten horen dat men het onderricht van de bisschop goed gevolgd had. De geloofsbelijdenis had men ontvangen van God via de kerk, nu werd die als een persoonlijke belijdenis weer teruggegeven. Je geloof belijden is iets persoonlijks, niet iets induvidualistisch, d.w.z. iets dat jou en God alleen aangaat. Geloofsbelijdenis is persoonlijk èn (gaan) staan temidden van alle heiligen (gelovigen) in de heilige Kerk.
VERDERE ONTWIKKELING
Aanvankelijk was er geen vastgestelde belijdenis voor de doop of voor het gebruik in de liturgie. De bovengenoemde korte belijdenis was basis. In de loop van de tijd kwamen daar aanvullingen bij. Dat gebeurde niet door een synode of iets dergelijks. Elke gemeente had zijn eigen belijdenis. De een vulde dit aan, een ander dat.
Rond 180 kwam er vooral aanvulling in het tweede deel over Christus. Hij werd de eniggeboren Zoon genoemd, zijn kruisiging, begrafenis, opstanding en hemelvaart werd opgenomen, enz.
Op de achtergrond hiervan kunnen we beter in gaan als we spreken over de geloofsbelijdenis van Nicea. Nu zeggen we alleen, dat de reden ligt in het weerspreken van een dwaalleer of gewoon in het feit dat de bijbel zelf spreekt over kruis, begraven, opstanding enz.
In de derde eeuw was er te Rome een vaste belijdenis voor de doop: het Symbolum Romanum ofwel de belijdenis van Rome. In deze belijdenis is het huidige Apostolicum duidelijk te herkennen. Maar in Zuid-Frankrijk gaat de ontwikkeling ervan door. Stond er in het Symbolum Romanum de zin: geboren uit de Heilige Geest en de maagd Maria, nu werd hier een onderscheiding aangebracht: ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Bij Nicetas komen we de toevoegingen tegen: “die gestorven is”, “de gemeenschap der heiligen” en “het eeuwige leven”.
Pas in de zevende eeuw komen we een belijdenis tegen die overeenkomt met de tekst die wij nu hebben.
ALGEMENE AANVAARDING
Niet een synode of de paus heeft de Apostolische Geloofsbelijdenis zijn algemene erkenning gegeven. Die is veel meer te danken aan de karolingische vorsten. In de achtste eeuw regeerden zij over een heel groot deel van Europa.
De bekendste is Karel de Grote.
Deze vorsten wilden eenheid in hun land. Eenheid in het kerkelijk en liturgisch leven achtten zij daarbij van groot belang. In het kerkelijk leven had Rome steeds grote invloed. Maar op het punt van de belijdenis werd Rome nu niet gevolgd. Rome had voor de doop het bekende Romeinse Symbool en voor de liturgie de geloofsbelijdenis van Nicea. In Zuid-Frankrijk en delen van Duitsland was het Apostolicum bekend en genoot er groot gezag, omdat men dacht dat het door de apostelen zelf geschreven was. Daarom koos Karel de Grote voor deze belijdenis. Door synoden en eigen verordeningen bevorderde hij dat alle gelovigen het Apostolicum uit het hoofd leerden!
Grote bekendheid in de kerk is nog niet hetzelfde als aanvaard zijn door heel de kerk (van het Westen). Daarvoor was de erkenning van de paus nodig. Ook dat is een langdurig proces geweest. Politieke en kerkelijke invloeden vanuit het noorden zorgden ervoor dat het Apostolicum in Rome bekend werd. In de twaalfde eeuw gingen de pausen het als een officiële tekst beschouwen. Het Apostolicum werd daarmee ingevoerd in heel de rooms-katholieke kerk. Haar functie bleef evenwel beperkt tot de doopbediening. In de gewone liturgie van de mis bleef de belijdenis van Nicea gehandhaafd.
APOSTOLICUM EN DE REFORMATIE
De hervormers hechtten grote waarde aan overeenstemming met de Vroege Kerk. Nimmer betekende dat een slaafse navolging. De maatstaf was telkens het Woord van God. Van daar uit werd verleden en heden beoordeeld.
Luther achtte het Credo hoog. Hij zei ervan in een preek: “Dat is mijn bijbel, het heeft nu al zolang overeind gestaan en is nog onomstotelijk. Daar blijf ik bij, daarop ben ik gedoopt, daarop leef ik en sterf ik.” Hij vond de bijbelse leer er mooi kort in samengevat voor kinderen en eenvoudige christenen.
In de eredienst.
Het Apostolicum werd opgenomen in de “preekdienst”. Het gebruik in de diensten waarin de Doop en het Avondmaal werden bediend was gewoon. Zwingli neemt het in 1523 ook op in de diensten waarin alleen gepreekt wordt. – Normaliter was er een preek en viering van het Avondmaal. Dit verschijnsel van de “preekdiensten” was al voor de Reformatie ontstaan. In protestantse kerken is het de ‘gewone’ dienst geworden. –
Na de gebeden werd het Credo door de gemeente luid opgezegd. Bucer, uit Straatsburg, liet het na de preek door de gemeente zingen. Calvijn deed dat in een avondmaalsdienst voor de viering van het Avondmaal.
Hoewel de geloofsbelijdenis van Nicea tot dan de eigenlijke hoofdbelijdenis was, wint het Credo steeds meer terrein. Calvijn stelde het Apostolicum vanwege zijn kortheid boven de belijdenis van Nicea. Dat heeft in onze calvinistische kerken, waaronder ook de Nederlandse Hervormde Kerk, tot op vandaag zijn sporen getrokken. De geloofsbelijdenis van Nicea is bij velen onbekend.
Samengevat kunnen we zeggen dat het Apostolicum komt na de preek, bij de gebeden tegen het eind van de kerkdienst.
In de catechese.
Het Apostolicum werd in de catechismus opgenomen en uitgelegd. Luther begon ermee in zijn Grote Catechismus. Calvijn nam dit over. Legde het zelfs ten grondslag aan zijn grote werk de Institutie.
In de Heidelbergsche Catechismus luidt vraag 22: “Wat heeft een christen dan te geloven?” Antwoord: “Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetgeen de Artikelen van ons algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof ons in een samenvatting leren”. In Antwoord 23 worden deze artikelen genoemd.
Reformatorische èn Rooms-katholieke kerk hebben beide deze geloofsbelijdenis. In de uitleg ervan komen de verschillen tussen die kerken naar voren.
KRITIEK
17de eeuw.
Na de Reformatie kwam er kritiek. In de 17de eeuw kwam die van orthodoxe zijde. De gereformeerde theoloog Herman Witsius maakte onderscheid tussen fundamentele en niet-fundamentele artikelen. De nederdaling ter helle en het artikel over de kerk en de gemeenschap der heiligen achtte hij van minder belang. Daarentegen miste hij o.a. een artikel over de rechtvaardiging door het geloof, leer van de zonde en de aanbidding van God. In Duitsland waren er luthersen die een zelfde mening hadden. Zij misten o.a. de genade en de verdiensten van Christus.
19de eeuw.
Nu komt de kritiek van een heel andere kant. De achtergrond ervan ligt in het rationalisme. Dit legt de norm in ons verstand. Wat redelijk te verklaren en in te denken is, wil men geloven. Waar je met je verstand niet bij kunt behoef je niet te geloven.
Met name in Duitsland speelde deze kritiek. Een nieuwe geloofsbelijdenis werd voorgesteld. Daarin werd niet meer gesproken over de maagdelijke geboorte, de nederdaling ter helle, de kerk en de opstanding van het vlees.
Er waren predikanten die de voorlezing van het Apostolicum wilden afschaffen. Ze legden het voor aan de beroemde hoogleraar Adolf Harnack. Hij gaf zijn liberale standpunt in deze. Beter was, zei hij, een korte aan onze tijd aangepaste belijdenis, die naast het Apostolicum gesteld kon worden. Maar het Credo niet weg doen. Dat zou geen recht doen aan haar hoge religieuze waarde en eerbiedwaardige ouderdom. Ontwikkelde! christenen nemen aanstoot aan sommige onderdelen, maar men mag van hen ook enig historisch besef verwachten. Het is een oud getuigenis van het geloof, waarin het een meer waarde heeft dan het ander. Op deze wijze kun je goed met deze belijdenis leven.
NOG STEEDS DE APOSTOLISCHE GELOOFSBELIJDENIS.
Ondanks alle kritiek is de Apostolische Geloofsbelijdenis gebleven. Steeds heeft de kerk er zich achter gesteld.
In onze eeuw horen we weinig meer over grote kritiek. Karl Barth gaf er in 1935 in Utrecht colleges over. Er was wel kritiek op het geloof in de opstanding e.d. maar het Apostolicum werd niet bestreden. Die kritiek heeft uiteraard wel gevolgen voor de waardering van het Apostolicum en een geruisloos verdwijnen uit de liturgie behoort tot de mogelijke gevolgen.
Elke belijdenis draagt de kenmerken van de tijd waarin zij is ontstaan. Iedere tijd heeft zijn eigen spits in het belijden. Toch is het goed ook deze Apostolische Geloofsbelijdenis te handhaven. Dit klassieke stuk laat zijn licht schijnen over telkens wijzigende theologische strijdpunten en geloofscrises.
Heeft men b.v. jaren niets willen weten van hemel en opstanding, nu beseft men dat er “meer” is tussen hemel en aarde dan wij zien kunnen.
Een nieuwe belijdenis? Belijdenissen worden niet van tijd tot tijd gemaakt en bijgesteld. Ze worden geboren als de noodzaak van nieuw belijden voor de kerk werkelijk dwingend is.
oecumene.
Het is de vraag of we nog tot een belijdenis kunnen komen die zo breed aanvaard wordt als het Apostolicum. In haar brede aanvaarding ligt het belangrijke aspekt van de oecumene. Waar het credo opgezegd of gezongen wordt mag iets beseft worden van de verbondenheid van gelovigen over heel de wereld heen. Dat niet alleen, er is verbondenheid met de voorgeslachten. Daarom wordt er vaak gezegd bij het uitspreken van het Credo: we belijden met de kerk van alle plaatsen/landen en alle tijden. Daarom heeft de geloofsbelijdenis vanaf vroege tijden tot de liturgie behoord en behoort zij er nog toe.
We leven niet bij het heden alleen!
Niet alles wat in deze belijdenis staat is van hetzelfde gewicht. Zij zegt ook niet alles wat er door de kerk te zeggen is. Maar ze zegt een aantal beslissende dingen. En prof Dankbaar voegt daaraan toe: De vorm waarin deze zijn uitgedrukt moge op sommige punten ons vreemd voorkomen of zelfs onaanvaardbaar zijn, nader beschouwd blijkt die vorm een veel diepere inhoud te hebben dan wij aanvankelijk hadden vermoed.
Ons geloof vond uitdrukking in het verleden, moet vertaald en verwerkt worden in het heden en leeft in de verwachting van Gods toekomst.
12-04-22 Westerbroek – eerste preek over Apostolicum.
Afkondigingen
Zingen uit gele bundel nr. 9: groot is uw trouw
Votum en groet
Zingen psalm 111:1,5,6
Lezen geloofsbelijdenis
Zingen psalm 149:1
Gebed om de opening van het Woord
Schriftlezing: gedeelten uit Johannes 17
(1-3,7-9,18-21,25-26)
Apostolicum: eenheid, verbondenheid, geloven in Jezus Christus
Zingen gezang 314:1,3,4
Preek
Zingen gezang 255:1,2,3
Dankgebed en voorbede
Collecte
Slotlied gezang 341:1,3
Zegen
Gemeente,
Op een gemeenteavond is er gevaagd wat u in de preken graag eens aan de orde wilde hebben. Daaruit is gekozen om te gaan preken over de Apostolische geloofsbelijdenis. Als ik hier preek – en er zijn geen bijzondere zondagen – dan zal het daar over gaan.
Vanmorgen inleidend over ontstaan van Apostolicum.
Persoonlijk doe ik dat graag. Maar ik ben me bewust dat het ook weerstand op kan roepen.
Het kan weer het negatieve gevoel oproepen van preken over de catechismus vroeger. Het waren soms meer colleges.
Bovendien had je het gevoel dat het ging over vragen die helemaal jouw vragen niet waren. En, zo zeggen we nu nadrukkelijk: met de preek moet je iets kunnen in je leven.
En je moest geloven wat er stond, je twijfels en onbegrip kregen geen plaats. Moeten wij nog wel geloven in een hel b.v.? Moeten wij het überhaupt nog wel over al die dogmatische vragen van vroeger hebben?
Heeft dit soort prediking er niet toe geleid dat velen de kerk helemaal vaarwel hebben gezegd of dat men naar meer evangelische gemeenten ging? Daar gaat het vooral over de persoonlijke relatie en praktisch geloof.
Dit zijn klemmende vragen en terecht opmerkingen. We moeten eerlijk zeggen dat onze kerken vaak kerken waren van verstarring en verstandelijk redeneren.
Wat mij betreft is het heel duidelijk: als het bij het leren of het nu een leren vanuit een catechismus is of vanuit de bijbel zelf, niet om het hart gaat, maar om ons verstand, om onze kerkelijke zuil of kerkelijke richting, dan kan het nooit vruchtbaar zijn. Het gaat om het leven met Jezus en de Vader in de hemel in de kracht van de Heilige Geest.
De wijze spreukendichter wist dit al: mijn zoon, geef mij uw hart. En de diepste vraag van Jezus aan Petrus na de opstanding is: Heb je Mij lief?
Bij de preken over de Twaalf Artikelen houden we bovengenoemde kritiek goed in het oog. Tegelijk zeg ik er wel bij, dat het ook om ons verstand gaat. Ons verstand is een goede gave die we als schepsel van God ontvangen hebben. In het dagelijkse leven beseffen we dat ook. We zeggen: gebruik je verstand! En wees een verstandig mens! Hart en verstand horen nu eenmaal bij ons mens-zijn. Maar zegt Augustinus: verstand altijd gebruiken vanuit de liefde. Of zoals Calvijn het zegt: tot eer van God.
Dat komen we ook in de Bijbel zelf tegen. Jezus zet mensen aan het denken: wat denken jullie . . .
Naast die vraag aan Petrus: ‘heb je Mij lief’, is er ook die andere vraag van Jezus: wie denken de mensen dat ik ben? En wie denken jullie dat ik ben? Dan komt het grote woord er uit bij Petrus: U bent de Messias, de Zoon van God.
Kortom, het gaat er om dat we met ons hart en ons verstand verbonden zijn met Jezus Christus en met de mensen om ons heen.
Dat is ook helemaal de achtergrond van de Apostolische Geloofsbelijdenis.
Maar eerst iets over het ontstaan en eigen karakter van het Apostolicum.
Deze Apostolische Geloofsbelijdenis noemen we ook wel de Twaalf artikelen van het geloof. Het zijn twaalf korte uitspraken. In de vroege kerk dacht men dat elk van de twaalf discipelen een uitspraak heeft gegeven. Dat zou gebeurd zijn – onder de leiding van de Heilige Geest – op een vergadering voordat ze de wereld in trokken om het Evangelie te gaan verkondigen in deze wereld. Deze twaalf geloofsuitspraken zouden dan de kern zijn van de christelijke boodschap in deze wereld.
Daarom zouden de Twaalf artikelen ook Apostolisch genoemd zijn, een heilige belijdenis door heilige apostelen gegeven.
Intussen weten we uit onderzoek dat dit niet waar kan zijn. De artikelen worden apostolisch genoemd omdat de inhoud ervan overeenkomt met de boodschap van de apostelen.
Maar tegelijk zeggen we daarbij dat de apostelen veel meer hebben gezegd. Het Apostolicum is niet een samenvatting van het Evangelie. Wel worden de belangrijke hoofdmomenten genoemd. Maar er wordt bijvoorbeeld niets gezegd over doop en avondmaal.
De Apostolische geloofsbelijdenis is een geheel andere belijdenis dan alle andere belijdenissen die we in de kerk hebben, zoals de Geloofsbelijdenis van Nicea of de Heidelbergse Catechismus. Dat zijn belijdenissen bewust opgesteld om de leer van de kerk op bepaalde punten vast te leggen en de kerk heeft die bij een synodebesluit aanvaard. Nicea: over twee naturen van Jezus: Hij is èn God èn mens. HC: uit genade alleen worden we behouden. Op zich heel belangrijk.
De Apostolische geloofsbelijdenis is niet bewust door de kerk op een vergadering opgesteld en aanvaard. Die belijdenis is heel praktisch ontstaan, heel dicht bij het gewone kerklid, de gelovigen. Zijn die andere belijdenissen, belijdenissen van bisschoppen, priesters, dominees en geleerden, de Apostolische Geloofsbelijdenis is de belijdenis van de dopeling die bij Christus wil horen.
Deze belijdenis is ontstaan bij de doop in de vroege kerk. Toen kwamen volwassenen tot bekering van het heidendom tot het christendom. Als deze heidenen christen wilden worden meldden ze zich bij de kerk. Ze kregen dan eerst jaren lang onderricht.
In die jaren werd hen het een en ander uit de bijbel geleerd. En ook leerden ze de inhoud van het christelijk geloof, de geboden, het gebed, doop en avondmaal.
Men werd gedoopt in de Paasnacht, het moment van het opstaan uit de dood. Dat drukt immers ook de doop uit: we staan op uit de dood, we gaan weg uit het wereldse leven van zonde en dood en gaan de wereld van het leven binnen, de wereld van de opgestane Jezus.
Bij die doop werden hen drie vragen gesteld: (ik geef het kort weer)
Geloof je in God de Vader? Antwoord was: credo = ik geloof in God de Vader.
Dan eerste keer ondergedompeld.
Geloof je in Jezus Gods Zoon? Antwoord: credo
Dan de tweede keer ondergedompeld.
Geloof je in de Heilige Geest? Antwoord: credo
Dan de derde keer ondergedompeld.
Zo stond deze geloofsbelijdenis dus op een kernpunt van het leven, op het diepste en roerendste moment van hun hart. De doop verbond hen aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De Vader en de Zoon en de Geest verbinden zich aan jouw leven. Het is de belijdenis van hart en ziel, van het nieuwe leven met God. En zo is die belijdenis nog bedoeld tot op de dag van vandaag. En alleen op die manier mogen we er over praten en leren in de kerkdienst.
Daarbij wijs ik nog op het volgende. We spreken over de Twaalf Artikelen, maar het gaat niet om twaalf uitspraken. De eigenlijke kern is een driedeling: het gaat om de Vader, de Zoon en de Heilige Geest! En in de tijd van de Reformatie is het Luther geweest die dit weer heeft opgepakt. Luther heeft in zijn catechismussen de kern gelegd bij de Here, Jezus Christus. Gelovend in Jezus krijgen we God weer als onze Vader en worden we naar het eeuwige leven geleid door de Heilige Geest.
Ik wil u iets aardigs rond het leren van de Apostolische Geloofsbelijdenis niet onthouden.
In de vierde eeuw – dus rond 350 – duurde de voorbereiding op de doop ongeveer drie jaar, men heette in die periode catechumeen.
In die tijd werd in Rome voor de doop de belijdenis opgezegd door de dopeling. Dat deed je in het publiek, ten aanschouwe van alle gelovigen. Was je erg zenuwachtig, dan mocht je het ook in een besloten kring, zeg maar in een zaaltje opzeggen. Het ligt dus een duidelijke lijn naar onze openbare geloofsbelijdenis die voor de volle kerk doet. En ook nu geldt nog altijd dat je het in bijzondere gevallen voor de kerkenraad doet en niet en publiek.
Er is nog een aardig verhaal over Ambrosius, rond 390 bisschop in Milaan.
Hij zei dat men de Geloofsbelijdenis niet moest opschrijven. Je kreeg hem niet in een boekje of op een blaadje. Hij werd voorgezegd en dat moest je in je opnemen. Juist als je het niet opschrijft neem je het beter in je op. Als je het opschrijft – ik geef het vrij weer – dan kun je het thuis op een rustig moment wel even snel in je hoofd zetten. Op school, snel even leren, goed voor je proefwerk, paar weken later helft al weer vergeten.
Maar als je het niet opschrijft, dan ben je er de hele dag mee bezig om het te repeteren om het niet te vergeten.
En wil hij zeggen: daar gaat het om. Niet om het even snel uit je hoofd te leren, maar om het de hele dag bij je te hebben. De Engelsen spreken niet over iets uit het hoofd leren, maar ze zeggen: learn by haeart. Met je hart leren.
Daar gaat het om in het geloof. Dat je het in je hart hebt. En overal waar jij bent is ook je hart. Een briefje raak je kwijt of je vergeet het, je hart heb je altijd bij je! En waar je hart is en dus waar jij ook bent is God, de Vader, is Jezus de Goede Herder, is de Heilige Geest, de Trooster. Laat deze God de hele dag met je meegaan, in hoofd en hart!
Ere zij de Vader, De Zoon en de Heilige Geest.
Amen.
De Korte in ND, n.a.v. de opmerkingen van parochianen die hun pastoor weg wilden omdat hij niet meedeed in de ‘gezelligheid’van het dorp. Het is van belang dat de kerk aansluit bij het karakter van het dorp.
Tijding Najaar 2011, pagina 12 en 13.
Kerk kan sterk zijn in bonding = bevorderen van de saamhorigheid onder actieve leden, maar ook nodig is bridging = contact leggen met andere groepen in de samenleving.
men weet wel dat de kerk er staat, maar niet wat de kerk feitelijk doet. Ambtsdragers en leden van de dorpskerk moeten er actief aan bijdragen dat de geloofsgemeenschap herkenbaar aanwezig is in het dorp.
Als blijkt dat niet-kerkelijke dorpsbewoners saamhorigheid een belangrijke waarde vinden, kan de kerk daarop inspelen, door bij te dragen aan gemeenschapszin; ook tussen kerkleden en dorpsbewoners, door contact te leggen met andere organisaties die actief zijn in het dorp, door het kerkgebouw ook te benutten voor andere activiteiten dan de zondagse erediensten.
(Henri Wijnne)
2012-06-10 Westerbroek, ik geloof (2)
Afkondigingen
Zingen Psalm 84:1
Moment stilte
Votum en groet
Zingen Gele bundel nummer 25:
‘k stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God.
Want in zijn hand ligt heel mijn levenslot.
Hem heb ik lief, zijn vrede woont in mij.
‘k Zie naar Hem op en ‘k weet: Hij is mij steeds nabij.
Samenvatting van de wet
Zingen psalm 119:40
Gebed om de Heilige Geest
Zingen gezang 451:2
Lezen: Johannes 3:14 – 18
14 De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft,15 opdat iedereen die gelooft, in hem eeuwig leven heeft.
16 Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
17 God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden.
18 Over wie in hem gelooft wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de naam van Gods enige Zoon.
Lezen 1 Korinte 16:22
Als iemand de Heer niet liefheeft-hij zij vervloekt! Maranata!
HC vraag en antwoord 20 en uitleg
Worden alle mensen weer door Christus behouden zoals ze in Adam verloren zijn?
Antwoord: Neen, alleen degenen die in Hem door een echt geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.
Zingen psalm 73:10,11
Lezen 1 Petrus 1:22 – 2:2
22 Nu u gehoorzaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden; heb elkaar dan ook onvoorwaardelijk lief, met een zuiver hart,
23 als mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende en altijd blijvende woord.
24 ‘De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld: het gras verdort en de bloem valt af,
25 maar het woord van de Heer blijft eeuwig bestaan.’ Dit woord is het evangelie dat u verkondigd is.
1 Ontdoe u dus van alles wat slecht is, van alle bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij,
2 en verlang als pasgeboren zuigelingen naar de zuivere melk van het woord, opdat u daardoor groeit en uw redding bereikt.
HC vraag en antwoord 21 a en uitleg
Wat is een echt geloof?
Antwoord: Een echt geloof is niet alleen een stellig weten of kennen waardoor ik alles voor waar houd wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft.
Zingen gezang 329
Lezen Romeinen 3:21 – 26
21 Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar: 22 God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid.
23 Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; 24 en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost.
25-26 Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee bewijst God dat hij rechtvaardig is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan. Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: hij laat ons zien dat hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft.
Lezen Romeinen 5:1 -5
1 Wij zijn dus als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof en leven in vrede met God, door onze Heer Jezus Christus. 2 Dankzij hem hebben we door het geloof toegang gekregen tot Gods genade, die ons fundament is, en in de hoop te mogen delen in zijn luister prijzen we ons gelukkig.
3 En dat niet alleen, we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt, 4 volharding tot betrouwbaarheid, en betrouwbaarheid tot hoop.
5 Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is.
HC vraag en antwoord 21b en uitleg
Antwoord: het geloof is ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en heil door God geschonken is, louter uit genade, alleen op grond van Christus’ verdienste.
Zingen gezang 169:3,5,6
Dankgebed en voorbede
Collecte
Slotlied psalm 89:1,7
Zegen
Gemeente
Vorige keren over allerlei opvattingen van het geloof in de huidige tijd. Nu gaan we zien wat de positieve zijde van het geloof is. Ik doe dit aan de hand van de HC vraag en antwoord 20 en 21.
Ik herinner me dat prof. Bronkhorst bij de opening van het studiejaar in – ik meen – 1972 zei. Zondag 7 over het geloof is een van de mooiste zondagen van de HC.
Een enkeling zal er nog het een en ander van herinneren van de catechisaties, maar voor de zekerheid toch maar afgedrukt.
De HC heeft vanuit de Bijbel gezegd dat de verdienste van Christus het behoud van de wereld is. Maar wordt nu ook iedereen behouden? Sommigen zieden en zeggen dat nog. Zoals door de eerste Adam wij allen moeten sterven, zo zullen we door de Tweede Adam, Jezus Christus, leven. En ook nu nog zijn er christenen die menen dat het met iedereen wel goed komt, door de grote liefde van God en door de liefde van Jezus.
De HC wijst dit af. Alleen door een oprecht geloof worden we behouden. Dat is ook wat Johannes zegt in dat bekende gedeelte van Johannes 3. In het aanhalen daarvan laten we vaak vers 18 weg, waar staat: wie niet in Jezus gelooft is al veroordeeld.
Afgelopen week zat ik in 1 Korinte 16 te lezen en schrok eigenlijk een beetje toen ik vers 22 las: als iemand de Heer niet lief heeft – hij zij vervloekt.
Dat is nog al wat!
Voor we hier nader op ingaan eerst een vraag die vaak gesteld wordt: hoe zit het dan met al die volken die het Evangelie niet kennen? Allemaal verloren?
Wat de volken betreft die het Evangelie niet kennen zegt de Bijbel weinig. Wel laat God merken dat Hij de volken, mensen, beoordeelt op hun daden. We kennen de uitspraak van Jezus: het zal in de dag van het oordeel voor Tyrus en Sidon (stonden bekend als goddeloze steden) draaglijker zijn dan voor jullie die Mij hebben gezien, maar niet in Mij geloven.
Het blijft een geheimenis van God hoe Hij met hen en hun levensgedrag om gaat.
Uitspraken over wel of niet behouden worden zijn tot de gemeente gericht. Tot ons allen die min of meer met het Evangelie in aanraking zijn gekomen.
Bovendien betekent de uitspraak van Paulus ( 1 Korinte 16:22) niet dat ieder die op dat moment niet gelooft verloren is. Er is bekering mogelijk. En het is ook eigenlijk een appèl tot bekering. Het is ook een aansporing aan de gemeente om niet nonchalant of lichtvoetig om te gaan met het Evangelie van Jezus Christus. Want het gaat uiteindelijk om de beslissing over je leven: behoud of verlorenheid. Met een beetje meelopen met de gemeente kom je er niet. Met wat teren op indrukken van vroeger en wat vrome gedachten of gevoelens kom je er niet. Het gaat om wat we noemen een levend geloof, of zoals hier gezegd: een echt geloof.
Een echt geloof waardoor je je helemaal toevertrouwt aan God en Jezus. Door moeite en tegenslag heen weten: deze God is mijn God en Hij draagt mijn leven. Zijn liefde is zo groot, dat krijgt niets en niemand stuk.
Zingen psalm 73: 10 en 11
Het echte geloof is en blijft verbonden met de geopende Bijbel. Toch is het goed te letten op de formulering van de HC: het voor waar houden van wat God heeft geopenbaard. Het gaat niet om letters, maar om wat Gos zegt in woorden en daden. Abraham had geen Bijbel, maar God maakte zich bekend en dat is opgeschreven. Israël in Egypte had geen Bijbel, maar via Mozes hoorde het Gods stem. En in steeds wisselende tijden en situaties spreekt en werkt God bevrijdend en is Hij bezig personen en een volk aan zich te binnen. In het Nieuwe Testament is de situatie weer anders, en weer spreekt God, nu niet alleen met woorden, maar Hij maakt zich bekend in Jezus Christus. “Wie Mij heeft gezien heeft de Vader gezien, zegt Jezus.” En God zegt: ‘als je wilt horen wat ik zeg, luister dan naar wat Jezus zegt’. Met andere woorden het gaat in de Bijbel nooit om het papier en de letters. Dat wil zeggen de Bijbel lezen is luisteren naar Gods stem, naar Jezus’ stem. Zijn spreken is bevrijdend en verbindend – aan hem en elkaar.
Er is Bijbelstudie en onderzoek nodig om te weten wat er staat en wat het toen betekende om door de verlichting van de Heilige Geest te verstaan wat God mij nu zegt. Alle studie heeft tot doel de ruis weg te nemen Ruis zoals bij een radio die je niet op de goede frequentie ontvangt: allerlei geruis en soms andere zenders er door heen. Ruis die ons belet te horen hoe de Goede Herder Jezus ons roept, berispt, sterkt, corrigeert, bemoedigt en ons troost door de liefde die in al zijn woorden klinkt. De Bijbel lezen en de prediking horen gaat voor een gelovige altijd biddend: spreek Here, uw kind hoort!
Daarbij valt het ook op dat als de HC spreekt over de openbaring dat daarin niet centraal staat de schepping, ook niet de grote toekomst. De Bijbel is geen wetenschap, geen ideologie of toekomst wetenschap. De HC stelt met heel het Nieuwe Testament Jezus centraal. Hij is mijn leven, in Hem is het verleden opgenomen, in Hem leef ik het nu, met Hem zal ik er zijn.
Begrijpen we dan alles? Nee. Een oudere zeer ervaren en alom geroemde predikant zei eens in een gesprek: er zijn teksten waar ik niet over kan preken. Die kan ik niet vatten. Welke dat waren zei hij niet. Is ook niet belangrijk. We moeten erkennen, dat er naast een grote afstand in tijd en situatie met de verhalen in de Bijbel er ook zaken zijn die ons te boven gaan. Er is geen Bijbellezer, geen theoloog of hij of zij heeft vragen. Job had ze en ze waren heftig. En toch legt hij zich uiteindelijk vertrouwend in Gods hand neer in de erkenning dat God zoveel groter is dan wij.
Daarom is het zo mooi dat de HC zegt: maar deze moeilijke God met dat soms moeilijke woord, heeft ons Jezus gegeven. Dat is zijn grootste en diepste woord dat Hij heeft gesproken. En dat woord is een woord vol liefde, dat is voor niemand een vraag. Wie gelovig dat woord hoort, merkt, zegt Petrus, dat het is als heerlijke melk die voedt. Als je in dat woord Jezus bent gaan horen en zien, wil je er steeds meer van horen. Dat is een kenmerk van echt geloof: meer willen weten van Jezus die Gods levende Woord is en die woorden van leven spreekt.
We zingen gezang 329
Geloven is belijden, je zonde belijden en Christus belijden. Zonde belijden hoort er ook bij. Geloven is ook jezelf kennen, als zondaar, als verlorene, als degene die geen recht kan laten gelden op het eeuwige leven. Je staat met lege handen, machteloos gebonden door je zonden. Mensen met de rug naar God toe. Mensen die God niet zoeken.
Aan deze mensen, aan ons is de Geest gegeven. Men noemt de Geest wel moeder. Moeder die door opvoeding van ouders heen, die door gesprekken heen of door evangelisatie ons Jezus voor ogen stelt en ons zo troost. De Geest is Trooster. Troosten is niet zozeer tranen drogen als wel vertrouwen geven, bemoedigen. Dat doet Hij door de verkondiging van het Evangelie.
Hij laat Jezus zien. Kijk eens wat een mens! Wat een liefde en wat een wijsheid. Hij biedt je een leven dat deze wereld niet kan bieden.
Hij wijst ook naar God als een Vader die veel van zijn kinderen houdt en die het niet hebben kan dat het leven van zijn kinderen mislukt. Jij bent zo’n kind. Hij wil niet dat jij verloren gaat. Daarom gaf Hij Jezus voor jou. Nu is er vergeving voor je zonden, je mag bij God horen en altijd bij Hem leven.
De Geest begint met het Evangelie van Gods liefde voor zondaren, prijst Christus aan. Pak je dat dan zomaar in één keer op? Nee het gaat geleidelijk. Ik las het beeld van ouders die hun kind leren lopen. Je kind gaat staan, wankel, steeds iets vaster. Dan gaat het stapjes zetten. Eerst met jouw beide handen vast gehouden. Dan met één hand. Steeds een stapje meer. Dan houdt de moeder het vast en vader gaat er tegenover zitten op kleine afstand en steekt zijn handen uit: kom maar. Je helpt nog een keer totdat het kind zelf een stapje doet. Het is misschien nog meer vallen dan stappen, maar het was even los. En dan komen er steeds meer stappen tot het uiteindelijk zelf kan lopen. Valt nog weleens in het begin, maar het gaat steeds beter.
Zo leert de Heilige Geest ons lopen, geloven. In het begin vallen we nog en we begrijpen helemaal die man uit het Nieuwe Testament die tegen Jezus zei: ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp.
Zo bouwt de Geest door de prediking, het lezen van de Bijbel, gesprekken met anderen het geloof in ons op zodat we ons durven overgeven aan God. We gaan zeggen: uw liefde is zo groot, U bent mijn God. Ik heb er vaak wel het gevoel bij: dat past niet. Want wie ben ik nou als mens als gelovige, ik ben er eigenlijke veel te gering voor. Ik kan eigenlijk niet geloven dat ik mag geloven. Dan bemoedigt de Geest en zegt: Jezus kwam voor zondaren, Jezus kwam voor hulpelozen, Jezus kwam voor de laatsten om die eersten te maken.
De Heilige Geest maakt het woord van het Woord, tot woord van je hart.
Zo werkt de Geest het geloof als een vast vertrouwen. Dat vertrouwen bestaat niet uit een kracht in mij, maar dat vertrouwen wordt vastgehouden door de trouw van God. Door de verkondiging, door het Evangelie dat de Geest laat klinken in mijn oren en mijn binnenste en mij steeds weer bemoedigt, troost met Christus die gekomen is opdat de wereld niet verloren gaat, opdat ik niet verloren ga, maar eeuwig leven heb.
Amen.
Onze kerk kent meerdere geloofsbelijdenissen. In gemeenschap met deze (negen) belijdenissen belijdt de PKN haar geloof. Drie komen er uit de Vroege Kerk en zijn deel van de algemene christelijke Kerk: De Apostolische Geloofsbelijdenis De Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel De Geloofsbelijdenis van Athanasius Uit het Gereformeerd protestantisme zijn de volgende drie belijdenissen opgenomen: De Catechismus van Genève De Nederlandse Geloofsbelijdenis – NGB De Heidelbergsche Catechismus – HC De Dordtse Leerregels Uit het Luthers protestantisme komen: De (onveranderde) Augsburgse Confessie De Catechismus van Luther Daarnaast erkent de kerk voor haar belijden van belang: De theologische verklaring van Barmen (Barmer Thesen) De Konkordie van Leuenberg die het gemeenschappelijk verstaan van het Evangelie door de gereformeerde en en lutherse tradities aangeeft. Deze geschriften zijn opgenomen in Artikel 1 van de Kerkorde (die de grondslag van de PKN is).
12-06-24 Apostolische Geloofsbelijdenis “God”
Afkondigingen
Zingen gezang 321:1-3
Stilte
Votum en groet
Zingen psalm 103:4,5
Wetlezing
Zingen psalm 86:4,5
Gebed om de Heilige Geest
Schriftlezing 1: Jesaja 45:14 – 17
Schriftlezing 2 Hebreeën 11:1 – 6
Zingen psalm 30:3,5
Verkondiging
Zingen psalm 95:1,3
Dankgebed en voorbede
Collecte
Slotlied gezang 447
zegen
Barmhartig en genadig is de Here,
geduldig en rijk in goedertierenheid.
Gemeente, zo heeft God zichzelf getekend in de ontmoeting met Mozes. Mozes wilde God zien, maar God is te groot en te heerlijk. In een directe ontmoeting zou er van Mozes niets overblijven. Daarom brengt God Mozes in een spelonk. Als Hij voorbijgaat houdt Hij zijn hand voor de ingang, maar als Hij voorbij is trekt Hij zijn hand terug en ziet Mozes God op de rug.
In het voorbij gaan spreekt de Here uit wie Hij is voor Mozes en zijn volk: barmhartig en genadig is de Here,
geduldig en rijk in goedertierenheid.
In Jezus Christus zijn deze woorden bevestigd voor eeuwig.
In dit vriendelijk aangezicht van God lacht het leven ons toe.
Ik kan niet begrijpen dat er kerkmensen zijn die hier hun schouders over ophalen. Ze hebben liever de God van Klaas Hendrikse: de God die niet bestaat. De ‘god’ die niet meer is dan een mooi moment of iets dat je raakt, een liefdevolle blik of de lach van een kind.
Zijn wij dan niet blij met een gebaar van liefde en een kind dat ons stralend aankijkt? Natuurlijk wel, en ik zie er ook een teken in van Gods goedheid.
Dat zal Hendrikse nooit zo zeggen: dat mooie moment is geen teken van God, het is ‘god’. God gebeurt, Hij is als een lichtflits die er eerst niet was, plotseling licht aan de hemel en er dan niet meer is. Hendrikse zegt dus niet: ‘God zit er achter’, want er is geen God, Hij bestaat niet. Hendrikse zal God ook niet bedanken voor dat mooie moment, want als je iemand bedankt, bestaat hij, en God bestaat niet volgens hem. Dat betekent ook dat je in nood of verdriet God niet kunt aanroepen, want Hij bestaat niet. Bidden heeft dan ook geen zin. Hendrikse bidt in de kerk wel het Onze Vader, maar dat is uit traditie, het voelt goed. Je zegt deze woorden van Christus, maar je zegt er niets mee. Het Onze Vader als een niets zeggend gebed.
En heel veel mensen zijn blij met dit geloof à la Hendrikse.
Hoe kan dat? Velen geloven wel dat God bestaat, maar Hij is voor hen alleen maar God als een soort suikeroom. Of Hij is als de EHBO, alleen in noodgevallen bellen ze Hem, en dan moet Hij natuurlijk wel gelijk komen en goed helpen, want anders vertellen we het aan de krant. Velen willen geen God boven hen die hun leven leidt. God mag alleen als Hij mij mijn gang laat gaan.
We willen een pleasing God, een God die het ons naar de zin maakt.
Dat komen we al tegen in het Oude Testament. Telkens weer vervalt Israël aan de afgoden aan de dienst van Baäl. Die god Baäl daar kun je naar toelopen in een tempel, of je kunt hem als klein beeldje in de zak steken en meenemen. En dat is misschien wel het kernpunt als het gaat om het geloven in God of een afgod: de afgoden neem je mee in de hoop dat ze je geven alles wat wenselijk is. Maar bij de God van Israël en Jezus Christus gaat het er om dat Hij jou meeneemt. Het gaat om bekering! Een afgod volgt jou, God volgen is jezelf loslaten.
We kennen allemaal de strijd van de profeet Elia tegen de afgod Baäl. Hij laat de priesters bidden tot Baäl, maar Baäl is dezelfde god als van Hendrikse: Hij hoort niets. Bidt daarom ook maar niet zegt Hendrikse.
De ware God hoort wel: op het gebed van Elia ontsteekt God vanuit de hemel het met water overgoten offer en het verteert helemaal. God hoort en handelt.
Er is rond Baäl veel kabaal, maar hij hoort niets en hij brengt je niets, hij houdt je hooguit even van de straat en geeft een illusie van geluk.
In deze moest ik denken aan een ouderling uit mijn eerste gemeente die een dominee had horen zeggen: vroeger heette de afgod Baäl, tegenwoordig heet hij Bal. Hij hoort niets, je bent slechts even van de straat, hij brengt je niets. Hij brengt alleen iets voor de hogepriesters die hem onderhouden en promoten. Iets om over na te denken.
God bestaat niet zoals een appeltaart bestaat, zegt Hendrikse. Dat is een open deur. Hoewel, ik zei straks al dat sommigen denken dat God bestaat als een suikeroom of een trauma-arts. Dat verschilt niet veel van Hendrikse.
Hendrikse moet om zijn verhaal te verdedigen de Bijbel laten buikspreken of er gewoon stukken uit weghalen.
Want in de bekende tekst Exodus 3:14 noemt God zich: Ik ben die Ik ben, of ik zal zijn die ik zal zijn. Hendrikse probeert dit zijn, dit bestaan van God weg te werken door dit uit te leggen als: Ik ga met je mee. Niet als iemand die bestaat, maar af en toe licht er in je leven iets moois op. Ik ben er dan niet, maar dan gebeur ik.
Vertaalkundig klopt dit niet, maar wie maakt zich druk om wat er precies in de Bijbel staat? In de Bijbel staat van alles dat knoeiwerk van mensen is volgens Hendrikse. Want in Hebreeën 11:6 staat: wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en beloont wie Hem zoeken. Al vroeg is het bederf ingetreden zegt Hendrikse bij deze tekst.
De Bijbel alleen maar aanvaarden voorzover het jou past, is gelijk aan zelf iets bedenken. Dan kom je uit bij het algemene, bij een god die bij je past. Of zoals de Bijbel dat noemt, een eigenwillige godsdienst.
De Bijbel is juist het tegendeel. Ons wordt een God verkondigd die anders is dan al ons denken en kunnen. Te heerlijk om te kunnen zien. En het is juist deze God die redt. Die niet even helpt, maar het leven nieuw maakt.
Die redding begint met het geloven dat God bestaat. Dat is overigens op zich niet voldoende. De duivelen geloven ook dat God bestaat zegt Jacobus en zij beven. Nee, het gaat er om dat we geloven in God, geloven dat Hij er is als mijn Redder. Overgave aan Hem in vertrouwen en vreugde.
Toch is dat allemaal weer makkelijker gezegd dan gedaan. Want leren we uit de Bijbel dat deze God zich kan verbergen. In Jesaja 45:15 lezen we: voorwaar, U bent een God die zich verborgen houdt.
Dat wordt gezegd door de heidenen in Babel. Voor hen vreemd is een God, die niet zichtbaar is als een beeld. Hij is er wel, je ziet Hem niet, Hij is verborgen. Maar ook praktisch: God die weg lijkt bij zijn volk en hen zo in de nood en narigheid van de ballingschap brengt. Een God die hoort, maar niet antwoordt, een God die ziet, maar niet naar je omkijkt, een God die een machtige hand heeft maar die jou er niet mee te hulp komt. Geen pleasing God. Een God waar je het als gelovige zo moeilijk mee kunt hebben. Een God die niet past in ons menselijk beeld en verlangen. Een God die je niet mee kunt meenemen en pakken als je wilt. En toch, zagen die heidenen, die God die zich verborgen houdt is wel degelijk aanwezig en actief. Zij merkten: God bewaart je in zijn hart. Hij verlaat niet wat zijn hand begon, laat niet in de steek de mens die roept en verlangt naar God. Hij hoort en redt op zijn tijd. Israël heeft het ervaren.
Juist vanuit het Nieuwe Testament weten we dat in alle heerlijkheid en zekerheid: Hij heeft gezwegen, zijn ogen weggedraaid van zijn Zoon, zijn hand niet reddend uitgestoken, maar zich verborgen in duisternis voor Christus: opdat wij nimmer door Hem verlaten worden.
Nooit zullen we God op zak hebben – om het zo nog maar eens te zeggen – soms zullen we niets van Hem zien, lijkt Hij niet meer tot je te spreken en toch blijven we in zijn hart, zo zeker als Christus is gekruisigd en opgestaan.
Het anders-zijn van God, dat komt in het Nieuwe Testament nog eens naar voren in het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw. Als zij vraagt waar je nou moet aanbidden, waar God hoort en tot je komt, of dat nou Jeruzalem is of op de berg Gerizim, waar de Samaritanen hun heiligdom hebben, dan antwoordt Jezus: de tijd komt dat men niet op deze berg en niet in Jeruzalem zal aanbidden, de ware aanbidders zullen aanbidden in geest en waarheid. Want God is Geest.
Jezus’ antwoord aan de Samaritaanse houdt allereerst in dat God een God is die niet aan tijd of plaats gebonden is. Hij gaat het geschapene te boven, Hij is ontheven aan onze beperkingen. Hij zit niet gevangen in de tegenstelling Joden en Samaritanen, in de tegenstelling Joden en Heidenen en welke grenzen en muren wij ook optrekken. Deze God doorbreekt zelfs in Christus de grens van zonde en schuld. Denk daarom nooit dat jij niet bij God kunt komen! Zijn liefde doorbreekt alle grenzen!
Waar en in welke ruimte we God aanbidden is niet van belang. Wel van belang is dat we Hem aanbidden in geest en waarheid, in de ruimte die Hij gemaakt heeft in Jezus Christus om Hem te ontmoeten en dat we dat doen in vast vertrouwen dat Hij ons leven is. Zulke bidders zal Hij laten merken dat Hij leeft.
Een laatste tekst: er staat van God dat Hij een ontoegankelijk licht bewoont.
Als je op een heerlijke zonnige dag in de zon wilt kijken, lukt je dat niet. Dat licht is te fel. Je hebt geen toegang tot dat licht. Zo bewoont God een ontoegankelijk licht.
God is voor ons de onmogelijke en ongrijpbare die we alleen maar in diepe eerbied kunnen naderen. Tegelijk is het deze Onmogelijke die het onmogelijke doet: leven geven uit de dood.
Hij bewoont een ontoegankelijk licht, maar zoals die zon waar je niet tegen in kunt kijken, jou heerlijk bestraalt, zo is God onze zon, die ons in de heerlijke stralen van Christus zet. Het leven lacht je toe.
Amen.